1001 Vrouwen

 

Vrouwen voor het voetlicht

 

Historica Els Kloek wil historische vrouwen voor het voetlicht brengen. Met haar team en verschillende schrijfsters verzamelt ze daarom biografische informatie van Nederlandse vrouwen, van de vroegste tijden tot nu.  Voor de bio’s, zie het Vrouwenlexicon.

 

1001 vrouwen

 

In 2013 werd het Vrouwenlexicon ook een boek: 1001 Vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis. Deze bestseller werd vormgegeven door topontwerpster Irma Boom. Aangemoedigd door het succes werkt het team nu aan een vervolg:
1001 vrouwen in de 20ste eeuw (te verschijnen begin 2018).

 

Agnes schrijft mee aan 1001 vrouwen

 

Augusta Curiel was fotografe met een eigen fotostudio in Paramaribo (Suriname) van 1904 tot aan haar dood in 1937, Ze runde het bedrijf samen met haar zuster en assistent Anna en de oudste zuster Elisabeth deed het huishouden. Broer Adolf zorgde voor opdrachten in 'gegoede kringen' en verder fotografeerde Augusta het dagelijks leven in Paramaribo op plantages, in mijnen en fabrieken en in de dorpen.

http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/Curiel

 

Thereisa van der Pant was beeldhouwster en maakte veel buitenbeelden. Haar behoorde tot de tweede generatie van de ‘Groep van de figuratieve abstractie’. Dieren namen een belangrijke plaats in haar werk in – ze bestudeerde hen in Artis.Op haar 82e moest ze stoppen vanwege reuma, ze overleed in 2013.

http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/Pant

 

Binnenkort volgen:

Jenny Visser - Hooft: bergbeklimster, reizigster, onderzoekster en botanicus

Henriette Kuyper: reizigster, schrijfster en vertelster

Mary Pos: reizend jouuranliste

 

 

Klein Berlijn

 
Na zevenendertig jaar sluit ik mijn zuster weer in mijn armen. Gisteravond sloegen de mokers van de DDR-grenstroepen de eerste bres in de muur. In 1952 spleet de muur ons dorp doormidden. We scandeerden ‘de muur moet weg’ en na enige tijd viel een stemmenkoor aan de oostzijde ons bij. Een maand na de val van de muur in Berlijn, kruip ik door het provisorische gat. Mijn muts blijft haken aan een ijzeren draad uit het beton, ik laat hem hangen.
 
Ze is grijs geworden en klein, kleiner dan ik nu. Ik herinner me haar lange slanke lichaam in de vermaakte trouwjurk van moeder. De foto op de brug over de Tannenbeek staat op mijn dressoir. Zwijgend kijken we elkaar aan. Andere mensen duwen ons opzij. We omhelzen elkaar. Haar doffe haren ruiken vertrouwd naar stro en koeien. Zouden ze de boerderij nog hebben?
 
‘Wat een mooie jas heb je.’ Ze aait voorzichtig over mijn armen en monstert me van mijn schoenen die ik vorige week in de stad heb gekocht tot mijn bril van Chanel. Ik zie bruine schoenen en een geruite rok die bij ons dertig jaar geleden in de mode was. Plotseling duwt ze me terug naar de bres in de muur.
‘Ik wil zien hoe jullie het hebben,’ roept ze. ‘Heb je een televisie en een auto?’
 
Op de brug over de Tannenbeek kijkt ze rond. Ik probeer de omgeving met haar ogen te zien: witgeschilderde huizen, de geasfalteerde hoofdweg, een gemaaid gazon rondom de vijver waarin eenden zwemmen, tuintjes met hagen en auto’s op de oprit. Haar ogen glijden over de beek en ze pakt mijn hand. Langzaam verwijderen we ons van het feestelijke geroezemoes, de blijde stemmen en de tranen van weemoed die in de al aangerukte pullen bier glijden.
 
‘Moeder leeft niet meer he?’ vraag ik. Op het laatste moment was moeder tussen de betonblokken van de muur doorgesprongen naar het oosten, naar haar zwangere dochter. Ze had niet omgekeken en ik kon niet schreeuwen. Ik herinner me de wapperde paarse shawl die ik op school voor haar had gebreid.
‘Je hebt het gehoord?’ vraagt ze.
‘Ook al mochten we niet naar elkaar zwaaien, de berichten kwamen wel over.’
Ze laat een foto zien van haar man en drie dochters. Ik slik, mijn ogen branden.
‘Je bent nog alleen?’ vraagt ze.
Ik knik.
‘Jurgen ook.’
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jurgens ouders hadden voor de oorlog een boerderij in het Thüringse deel van Modlareuth. We hadden samen op het schooltje aan zijn kant van de Tannenbeek gezeten en gingen samen naar de kerk in het Beierse Töpen. Zijn vader was omgekomen aan het front in Rusland, Jurgen was te jong om te moeten dienen. Hij zou de boerderij van zijn vader overnemen en ik ging studeren in Bayreuth. Thüringen werd onderdeel van de Russische bezetting en later de DDR. In mijn gedachten zie ik ons in het stro liggen tijdens de zeldzame weekenden die we bij hem doorbrachten. Met zijn grenspas was het niet altijd mogelijk de Tannenbeek over te steken naar westelijk Modlareuth. In juni 1952 pakten soldaten  Jurgen en zijn moeder op en brachten hen naar een dorp in het achterland. De boerderij werd met de grond gelijk gemaakt. Alles wat ongewenst was, moest verdwijnen uit de demarcatiezone. Nog een keer sliep ik bij hem.
 
‘Kom met me mee,’ fluisterde ik toen ik ’s nachts stiekem uit de logeerkamer naar zijn bed kroop en mijn lichaam dicht tegen zijn warme huid legde.
‘Ik kan niet,’ zei Jurgen, ‘mijn moeder, ze is ziek.’
‘Anderen zorgen voor haar.’
‘Ze kent niemand in dit vreemde dorp.’
‘Je hebt hier geen toekomst.’
‘Er komt een collectieve boerderij.’
Jurgen draaide zich om. Het vocht in zijn ogen glinsterde in het donker. Een onzichtbare band klemde zich om mijn borst. Moest ik hier blijven? De communisten waren toch ook mensen. Het ging goed op de universiteit. Misschien konden we later trouwen, als ik klaar was.
 
‘s Morgens kreeg ik een lift met paard en wagen van een buurman in het dorp. De volgende dag werd de politieverordening van kracht die de vijftig inwoners van het dorp scheidde door een manshoge houten hek. Het leven in het dorp ging door. Kinderen werden met de schoolbus naar Töpen gebracht en postduiven vlogen brieven over de muur. Elke vakantie die ik thuis doorbracht, werd het hek hoger en de rol prikkeldraad breder. In 1966 zetten grenswachters een betonnen muur neer. We konden elkaar niet eens meer zien.
 
Winnend verhaal schrijfwedstrijd De Vergeten Oorlog, wedstrijd van Erfgoed Brabant en Nederland Schrijft. 9 november 2014.


Jury rapport:

In dit verhaal zorgt de combinatie van vervreemding en vertrouwdheid voor een haast filmische uitwerking. Een Hollywood-achtige romantiek wordt voorgeschoteld. Hierdoor wordt de lezer meteen meegezogen in het verhaal. Onder deze oppervlakte zien we echter ook diepere lagen: waarom kozen mensen om naar de ene of ander kant van de Muur te gaan, waarbij loyaliteit aan familie een belangrijke overweging was. Fictie en realiteit lopen door elkaar heen, maar dat doet geen afbreuk aan de zeggingskracht van het verhaal. De lezer krijgt de indruk dat het hier om een gepolijst relaas gaat op basis van ruwere persoonlijke notities. Hij blijft achter met de vraag: hoe is dit in hemelsnaam afgelopen? Dat open einde maakt het verhaal bijzonder sterkt.
 

 

 

 

Joyce Schrijfwedstrijd City2Cities, Utrecht, 12 april 2014 (winnaar)

 

Leopold Bloom wordt wakker... en dan?

 

 

Aan het slot van James Joyce’ beroemde roman Ulysses gaat hoofdpersoon Leopold Bloom naar bed na een dag vol omzwervingen door de stad Dublin. Zijn vrouw Molly ligt naast hem wakker. In het laatste hoofdstuk lezen we haar gedachtestroom in zinnen die soms pagina’s doorlopen zonder interpunctie. Naar aanleiding van City2Cities dat dit jaar naast Boedapest ook Dublin als themastad heeft, dagen we alle schrijvers van Nederland uit een vervolg te schrijven op dit hoofdstuk van Ulysses. Leopold wordt de volgende ochtend wakker… en dan? Hoe denkt hij terug op de vorige dag, zijn leven met Molly en wat brengt hem de nieuwe dag?

 

 

Telemachos

 

‘Molly ben je wakker?’

 

Een sliertje kwijl druipt uit haar mondhoek.

 

‘Gisteren leek een gewone dag. Dublin was miezerend grijs. Zoals altijd. Ik liep langs de verregende bedelaars in Lower Sackville Street; ze hadden hun capuchon ver over hun gerimpelde voorhoofden getrokken. In The Brazen Head was het druk. Mannen die de lichtheid van het vertier verkozen boven het petroleumlichtje thuis. De kinderen op bed met rammelende magen. Een gewone dag. Zo niet voor mij, Molly. Gisteren kwam ik terug in jouw warme holten. Lag je in bed op mij te wachten? We komen altijd bij elkaar terug, toch Molly?

Zonder Rudy.

 

Voor mij geen Telemachos, de wanhopige zoon die samen met zijn vader de strijd aanbindt tegen zijn moeders minnaars. Zou Rudy ze hebben vermoord? Minderwaardige minkukels die zich in de portiek aan de overkant verschuilen. Ze beelden zich in dat ik ze niet ontwaar en kunnen niet wachten tot ik mijn hielen licht.  Of zou jij ze de deur hebben gewezen om het goede voorbeeld te geven aan jouw zoon? Onze Rudy, een kwart Hongaar. Temperamentvol of toch te Iers waarschijnlijk. Een generatie verder, nog meer Dubliner dan ik. Hij heeft een Keltisch kruis boven zijn graf, naast mijn vader die Rudy’s dood niet aan kon zien.

Ik moet het alleen oplossen.

 

Molly daar lig je, je zachte borsten uitgezakt in je nachthemd. Niet denken aan de vele mannenhanden die deze borsten hebben gekneed, jouw hals hebben gekust en lager, daar waar jouw zachte grot zich vochtig opent... Nee, niet denken.

Als ik mijn ogen dicht doe bestaan ze niet. Alleen Boylan. Geeft hij jou wel, wat ik je kennelijk niet kan schenken? Je neemt hem niet serieus. Net zo min als al die anderen voor hem en degenen die na hem komen. Komen doen ze. Ik bind de strijd niet aan, ik mis mijn Telemachos. Of moet ik jouw eer redden, voor mezelf, voor mijn vader of voor Rudy.

 

Als je straks je ogen opent bij de dageraad, jouw oogleden zwaar van een laatste droom en je afvraagt wat voor dag het is, zal ik het vragen. Misschien. Vragen of je van mij kan zijn.Ik zal je meenemen over de Ha’Penny Bridge, je kussen op de Martello Tower en een gedicht voor je declameren onder de maan van Dollymount. Ik zal het aanvaarden, mijn leven zonder Rudy, maar voor altijd met jou, Molly.

Dublin, mijn lot.’

 

 

Lunch

 

Voorgedragen tijdens Eerste Jaarsalon, Schrijversvakschool, 12 april 2014

 

Mijnheer Coffield sneed zijn bacon en gebakken tomaten en smeerde marmelade op de door zijn vrouw geroosterde toast. Achter hem bakte zij de acht plakken black pudding voor in zijn lunchbox, zoals ze dat de afgelopen vijfendertig jaar, vijf dagen in de week, elke dag had gedaan. Ze droeg een gebloemd Laura Ashleyschort over haar nachtpon, hij een wit overhemd met donkergrijze stropdas. Zijn colbert hing op het hangertje aan de deur.

‘De krant is laat,’ mompelde hij en schonk melk in zijn kop thee.

Hij deed zijn colbert aan, stopte de lunchbox met daarop de Engelse vlag in zijn verder lege attachékoffer en deed zijn lange regenjas aan. Bij de deur pakte hij zijn zwarte paraplu, zette zijn hoed op en liep buiten de krantenjongen tegen het lijf.

‘Sorry, mijnheer Coffield,’ riep de rossige jongen en gaf hem The Guardian.

 

Mijnheer Coffield sloot aan in de rij voor de rode dubbeldekker, nummer negen, die hem naar St. Leonards, de zakenwijk aan de andere kant van Hastings zou brengen. Naar het kantoor van advocatenkantoor Clapp and Caisley, waar hij al zevenendertig jaar de boekhouding verzorgde. Hij knikte naar de chauffeur en ging op zijn vaste plaats zitten, een enkel zitje op de derde rij aan de linkerkant. Nadat hij de koppen van de voorpagina had bekeken, deed hij de krant in zijn koffer en pakte zijn lunchbox. Even tilde hij de boterhammen van elkaar, rook aan de dikke donkere plakken, knikte goedkeurend en stopte ze weer terug. Met zijn mouw maakte hij het beslagen raam schoon. In de verte lagen de kliffen. Vanaf hier was het land een ruwe vlakte met schapen als verdwaalde witte stippen. De steile diepte voorbij de rand boezemde hem angst in en wenkte tegelijkertijd aanlokkelijk.

 

De ochtend op kantoor ging monotoon voorbij. Cijfers, een kop thee om tien uur, een praatje met de secretaresse waarbij zij wist dat hij zijn ogen niet af kon wenden van haar in een strak bloesje geperste borsten en opnieuw cijfers. In de pauze zat hij alleen aan een tafeltje in de betegelde kantine waar zelfs geen kalender voor afleiding zorgde. Soms at hij slechts de black pudding en gooide de kleffe boterhammen in de prullenbak op een moment dat niemand naar hem keek. Vandaag had hij trek en vermaalde zorgvuldig elke hap van zijn lunch. Hij bladerde door naar de economische pagina’s van The Guardian en plotseling stokte het kauwen. Met twee handen greep hij de pagina vast, de rest van de krant viel op de grond. Hij verstarde en keek paniekerig de kantine rond. Snel raapte hij de krant op, propte de laatste happen in zijn mond en rende naar zijn bureau. Hij startte de bbc-nieuwsite op en staand scrolde hij door de pagina’s. Het was waar. Hij sloot zijn ogen, het was over. Zorgvuldig vouwde hij de krant op en stopte deze samen met zijn lunchbox in zijn attachékoffer.

 

‘Ik neem vanmiddag vrij,’ zei hij in de deuropening van het kantoor tegen zijn baas. Hij had zijn jas al aan en tikte als begroeting tegen de rand van zijn hoed. Zijn paraplu tikte op de stoeptegels en hij liep rechtstreeks naar de slagerij in de buurt, Corton Butchers stond er op het uithangbord. Hij wachtte tot er niemand in de winkel was en stelde zijn vraag. De slager schudde zijn hoofd. Coffield liep verder en verder. De smalle klinkerstraatjes in het centrum gingen over in bredere lanen. De huizen stonden ruimer uit elkaar en hij rook de zee. Ook de slagers van Arcade en Old Town Butchers hieven hun handen ten hemel. Met zijn hoofd tussen zijn schouders kwam hij naar buiten en begon weer te lopen. Tijdens het lopen rechtte hij zijn rug en zette koers naar de zee. Hij liep voorbij de East Hill Cliff Railway. Op maandag waren er weinig dagjesmensen die met het steil treintje naar het strand afdaalden. Bij Rock-A-Nore Cliff zette hij zijn koffertje tegen de informatiepaal die aangaf dat de klif driehonderdentien foot hoog was. Mijnheer Coffield vervolgde zijn weg door het ruige gras naar een stille plek. De brede rots die uitstak was een mooi punt. Beneden hem sloegen de golven traag en schuimend tegen de steile wand. De witte kalkrand meanderde tussen zee en land en eindigde als een wazig streep in de heiige verte. Een meeuw wenkten met zijn klaaglijke schreeuw. Hij stak zijn paraplu op en sprong. Zijn hoed dwarrelde in een windvlaag omhoog, de panden van zijn lange regenjas wapperden als vleugels van een pinguïn naar achteren.

 

Op hetzelfde moment dat de agent die met Coffields vermissing bezig was het beeldscherm op diens bureau van de slaapstand knipte, vond een vroege hondenuitlater het koffertje met de krant van gisteren. De koppen waren identiek: Evans Black Pudding na honderdtwintig jaar van vader op zoon failliet na uitbreken varkenspest, geen doorstart mogelijk.

 

 

 

Gas, water en licht niet inbegrepen

(het Russische platteland)

 

Gepubliceerd in De Volkskrant, 28 december 2013

 

Een vrouw met muts en op laarzen liep met een juk over haar schouders langs de weg. Ik parkeerde mijn motor bij de houten huisjes iets verderop. Meer dan twee uur had ik over een gravelpad vol gaten gereden en was slechts een man met paard en wagen tegengekomen, vermoedelijk op weg naar de markt met de oogst van de dag. Om mij heen niets dan de bleke stammen van het berkenbos. Het blauw en geel van de huisjes was verweerd tot pasteltinten. Het wit van de met krullen versierde kozijnen schitterde in de late zon.

 

Ik liep in de richting van de vrouw. Haar gezicht was gerimpeld, alhoewel ze me niet ouder leek dan halverwege de dertig. Water klotste over de rand van haar emmers. Ze knikte verlegen en zei iets in het Russisch. Ik haalde mijn schouders op. Ze wenkte en ik volgde haar naar het eerste huisje. In het tuintje groeiden sla, prei en bieten. Binnen gloeide een ijzeren kachel, een stapel houtblokken lag ernaast. Een kringeltje stoom  ontsnapte aan de samovaar. Dit was duidelijk geen datsja, de vrouw woonde hier. Eenmaal aan het donker gewend, ontwaarde ik een tweede vrouw in een gebloemd jasschort die aardappels schilde aan de eettafel. Ze lachte haar tandeloze mond bloot. Vier kinderhandjes betaste de stof van mijn Goretex broek en wezen naar mijn helm.

 

De jongste vrouw tapte heet water uit de koperkleurige samovaar en vulde de glazen af met de donkere drab uit het kannetje erbovenop. Midden op tafel stond een schaal jam, zelfgemaakt nam ik aan.  Ik volgde het voorbeeld van de vrouwen en nam met mijn lepel een hap van de jam; ik proefde appels en kersen en nam daarna een slok thee. Mijn mond vertrok; bitter. Ik glimlachte dapper. Met behulp van mijn point-it boekje en een paar woorden Russisch, legde ik uit dat ik uit Nederland kwam en begreep ik dat de vrouw Elena heette en de oude vrouw haar moeder was. De kinderen sloegen driftig aan het tekenen met de pennen en papier die ik uitdeelde.

 

Ondertussen roerde oma in een pan op de kachel. Ik maakte aanstalten om te gaan, maar Elena duwde me terug op mijn stoel en even later werd een zure soep opgediend, gemaakt van witte kool: sjtsji. Op een schaal lagen pasteitjes waarover oma ragout van uien schepte. Ik mocht geen tweede ronde weigeren.

 

Achter de gordijntjes werd het raam donker. Elena stak kaarsen aan. Ik liep naar mijn motor en haalde een blok kaas. De donkerte van het bos omsloot me, hoe moest ik straks verder rijden? Elena haalde een plastic fles vanonder het vervallen aanrecht. Ze spoelde de theekopjes om en vulde ze tot de rand met het heldere vocht. Ik sneed de kaas in blokjes en nieuwsgierig keek de familie toe hoe ik een blokje opat. Pas toen de vrouwen verlekkerde kreten slaakten, durfden ook de kinderen te proeven. Als drie vriendinnen proosten we.

 

Die avond sliep ik naast Elena, de kinderen bij oma in bed.

 

 

Storm

 

 

Zand straalt horizontaal

in mijn naden, ogen, lichaamsgaten.

Vlokken schuimen als plukken suikerspin

aan de rand van ’t nog nooit zo hoge water.

 

Jouw lange armen

strekken zich beschermend uit,

een muur tegen waaiers witte wervelingen,

bereiken niet mijn hongerend hart.

Zelfs in jouw oksel voel ik mij verlaten.

 

Voorbij het verboden hek,

slaat de zilte zee mijn weemoed neer.

Ik proef het zout,

trappel, drijf, snak en vecht

niet omlaag.

Weg uit de kolkende krater.

 

 

Ik beklim je flanken

blokken, wier en schelpengruis.

Zonnestralen breken.

Ik schreeuw,

geen meeuw

te zien vandaag.

Het veer komt later.

 

 

 

Up in Marrakech

 

Op de longlist van de Samsung Orwell Schrijfwedstrijd december 2012

 

De zwarte ezel van Rachid stond losjes aan een betonnen telefoonpaal gebonden. De wollige lange oren van Jamil zwiepten zachtjes heen en weer. Hij knabbelde de laatste grassprietjes tussen de losse stenen vandaan. De manden op zijn rug waren hoog opgeladen met de spullen die Rachid voor zijn moeder op de markt had gekocht. Rachid was opgelucht dat hij de aardappels en wortelen, die zijn vader had geteeld in het kleine moestuintje op de dorre hellingen rond het dorp, had verkocht. Hij had zelfs een beetje winst gemaakt. Zijn woede dat hij vandaag naar de markt moest in plaats van naar school was weggeëbd. School vond zijn moeder niet belangrijk, ze deden het al generaties zonder.

 

Voorovergebogen zat hij op het muurtje naast de moskee. De capuchon van zijn djellaba had hij tegen de zon over zijn hoofd getrokken. Hier ruste hij altijd uit, halverwege de tien kilometer naar zijn dorp. Uit alle hoeken en gaten kwamen zijn vriendjes aangerend, in Marokko was je nooit alleen. ‘He Rachid, wat heb je daar?’ ‘Laat zien, heb je wat op de markt gekocht?’ Rachid sloeg snel zijn armen om zijn nieuwste aanwinst, een Samsung Galaxy Note 10.1. Deze had hij gewonnen door mee te doen aan een internetwedstrijd op de computer in de bibliotheek van Ouarzazate, waar hij soms met zijn oom op de brommer mee naar toe mocht. Zijn moeder dacht dat hij het apparaat had gestolen, zijn vader had hem geslagen met een rietje. Gelukkig hadden ze de tablet niet afgepakt.

 

Zijn vriendjes dromden om hem heen en graaiden naar de tablet. ‘Afblijven, anders gaat hij kapot.’ Rachids ogen schoten als een slangentong heen en weer. Een paar oudere jongens drongen zich door de groep naar voren. Rachid stopte de tablet onder zijn mantel en snelde naar zijn ezel. ‘Ik word een rijk man,’ dacht hij bij zichzelf. ‘Morgen ga ik naar de grote stad en zien de mensen dat ik belangrijk ben omdat ik een tablet heb. Dan kan ik weg uit deze armoedige zooi.’

 

‘Wat ben je stil Rachid? We zijn trots omdat je vanmiddag goede zaken hebt gedaan.’ Zijn moeder gaf iedereen een stuk brood en zette de tajine met couscous en kip op tafel. Zijn twee zusjes maakten ruzie over wie er naast Mohammed, zijn oudste broer, mocht zitten. Hij werkte in een autogarage in de stad en reed in een oude Mercedes. Rachid vond zijn Samsung Galaxy veel belangrijker, maar hield zijn mond. Hij keek van de één naar de ander en zijn hart kneep samen. Kon hij ze eigenlijk wel missen?

 

Midden in de nacht stond hij op. De maan verlichte de donkerblauwe lucht boven de zandvlaktes waar hij langs moest. Zijn djellaba bood bescherming tegen de kou die als een scherp mes in zijn gezicht sneed. Hij had er niet op gerekend dat het zonder ezel zo’n eind lopen was naar de grote weg. Zou hij nog op tijd zijn? In zijn rugzak had hij eten voor een dag en natuurlijk zijn tablet. Straks in Marakkech zou hij zijn djellaba uitdoen, daaronder droeg hij zijn beste lange broek en overhemd. Deze mocht hij eigenlijk helemaal niet hebben van zijn vader. Het begon lichter te worden, hij tuurde de weg af. Na enige tijd kwam een klein lichtje dichterbij, het leek wel een vuurvliegje dat trillend zijn weg zocht. Zijn neef Ali in de tuktuk liet hem achterin de bak stappen. Hij zou hem naar Ouarzazate brengen, waar hij werkte. Daar vandaan moest Rachid zelf zorgen dat hij in Marakkech kwam. Zonder geld betekende het dat hij moest liften. Ali had beloofd dat hij zou zwijgen als het graf.

 

De vrachtwagenchauffeur zette hem voor een groot hotel af. Hier zou Rachid zijn eerste kansen proberen. De grote marmeren luifel torende ver boven hem uit, je moest een hoge trap op voordat je in de lobby stond. Mannen in uniformen hielden met hun armen over elkaar de wacht of hielpen gasten met hun koffers. Rachid keek om zich heen. Moest hij hier naar binnen? Met zijn tablet zichtbaar onder zijn arm sloop hij langzaam naar boven. Één van de wachters pakte hem in zijn kraag. Rachid kromp ineen. ‘Wat moet jij hier jongen? Wegwezen!’ Tot zijn oog op de Samsung viel. ‘Wat heb je daar voor moois?’ En vervolgens tegen zijn collega: ‘Hé, Ibrahim, moet je kijken, deze jongen heeft fijne plaatjes. We nemen hem even mee naar beneden om te gluren.’ Ibrahim gaf zijn collega een vette knipoog, ‘Ga jij maar, we kunnen nu niet samen weg, jij redt je wel met hem.’

 

Voor hij het wist stond Rachid met de dikke man in de lift. De man stond dicht tegen hem aan en stonk. Hij probeerde de tablet uit Rachids handen te pakken. ‘Kom op ventje, als je mij laat kijken, zal ik je niks doen.’ Hij legde zachtjes zijn hand op de bil van Rachid. Deze werd lijkbleek en drukte zich verder tegen de liftwand. ‘Je bent een mooie jongen,’ fluisterde de man in zijn oor. Rachid voelde hoe de warme adem langs zijn wang streek. Hij huiverde. ‘Hier je mag wel kijken,’ zei hij snel, terwijl hij voelde hoe zijn maag samentrok. In de kelder stapten ze uit. De man duwde Rachid het washok in en zette hem op een stoel. ‘Zoek wat lekkere plaatjes voor me op, nu.’

 

Rachid frummelde aan zijn tablet. ‘Ik zoek een baan,’ mompelde hij bijna onhoorbaar. De man liet zijn hand over Rachids dijbeen glijden. ‘Straks, eerst wil ik zien hoe die lekkere jongens het met elkaar doen op wat jij internet noemt.’ Rachid wist niet waar hij dat soort dingen kon vinden. Hij wilde hier weg. De enige deur was achter hem, waar ze vandaan waren gekomen. Gelukkig had hij de tablet weer in handen.

 

‘Als je doet wat ik zeg, kan ik je wel een baantje bezorgen.’ De man nam Rachid snuivend op van top tot teen, terwijl deze onhandig over de pagina’s van de tablet scrolde. ‘Buiten staat een zwarte ezel, hij heet Jamil, daarmee kun je de vuile handdoeken en lakens naar de wasserij brengen en ’s avonds weer ophalen. Doe je djellaba aan, ze zijn daar van de strenge soort.’

 

 

 

The night before

29 april 2013

 

‘Prinsenbock; dank onderdanen voor dit heerlijke biertje! Jammer dat mijn vrienden er vanavond niet bij zijn zoals op mijn vrijgezellenfeest, ik moet me alleen moed indrinken. Morgen is het gedaan met de pret, het volk heeft al genoeg geaccepteerd; een opa met bastaarddochters, een Duitse vader en een Argentijnse schoonvader en dan die ophef over mijn vakantiehuisje in Mozambique. Quatsch, dat hadden we juist gekocht om te helpen. Dat Mabel niet helemaal zuiver op de graat is, vergeven ze haar wel door Friso, dat is een geluk bij een ongeluk.

.

 

Ik kan me geen uitglijders meer veroorloven. Gelukkig heb ik Max; boobs and brains. Zonder haar was het niks geworden, dat zie je aan Charles; heeft zijn uiterlijk

 

ook niet mee en wordt door z’n moeder op een zijspoor gezet. Nee, dan Max, die laat niet met zich sollen, ook niet door mam. Jammer van onze drie meiden, het zijn schatten, maar geen nieuwe koning. Krijgen we weer zo’n sukkel als prins, dan stel je toch niks voor. Misschien is Amalia wel lesbisch, prachtig lijkt me dat, twee koninginnen op de troon.

 

Eerst zorgen dat we morgen niet buiten de boot vallen.

 

 

 

 

Ingezonden 60 seconden: Fiets

 

Gepubliceerd op 05 maart 2012, IJmuider Courant

 

VELSERBROEK - Als ik op een lazy zondagmorgen uit het slaapkamerraam kijk, zie ik een  lange rij auto’s over de A9 noordwaarts kruipen. Mercedessen en BMW’s van flinke ouderdom en dubieuze kwaliteit, de mannen voorin, de vrouwen achterin, schuifelen richting Beverwijk.  De Velsertunnel is hun laatste bottleneck vóór de Zwarte Markt.

 

Het zonnetje schijnt, de vroege voorjaarsvogels fluiten en ik haal nog eens diep adem. Na het ontbijt pak ik de fiets. Fluitend rijd ik door Park Beeckestijn, richting de pont die me naar de overkant van het Noordzeekanaal brengt. De meeuwen krijsen, een groot vrachtschip passeert richting de sluizen begeleid door de loodsen, een zwoel briesje waait door mijn haar. Met mijn ogen half gesloten mijmer ik op de lichte deining van de golven. “Ga hier maar links af, tussen de pieren door het zeegat uit, naar Engeland of verder”. De pont geeft me altijd een gevoel van vrijheid. De kapitein hoort me niet en zet me even later netjes af in Velsen-Noord.

 

Het is nog maar een klein eindje naar de Markt. Auto’s wurmen zich wanhopig door elkaar op zoek naar een plekje, mannen in oranje hesjes proberen de klanten naar hún parkeerplaats te loodsen. Ik fiets vrolijk langs deze stress, slenter over de markt op zoek naar mijn kruiden, nootjes, fruit en andere heerlijke oosterse etenswaar. Een perfecte zondag, op de fiets.

 

 

 

Wijs

 

De sluisdeur sluit zich achter de enorme tanker die vanuit Amsterdam door het Noordzeekanaal het zeegat uitvaart. Als de sluisdeur dicht is, mogen wij –fietsers – weer verder, richting Tata Steel, voor mij nog altijd Hoogovens. Naast mij staat een gezin te kijken bij de Grote Sluis, moeder met dochtertje op de arm en vader met een jongetje van een jaar of vier aan de hand. Aan de uitspraak te horen, duidelijk uit Amsterdam afkomstig, een dagje zeeschepen kijken.

‘Papa, wat staat daar?’ Wijzend op de naam van het schip in cyrillisch schrift.

‘Dat weet ik niet jongen.’

‘Papa, waar komt hij vandaan?’

De vader kijkt naar de onbekende vlag. ‘Dat weet ik niet jochie.’

‘Wat is dat voor klein bootje.’

‘Dat is de loods, die leidt hem door het kanaal.’ De vader lijkt blij dat hij het antwoord weet.

‘Waarom ligt die dan achter de boot?’

‘Dat weet ik niet, soms liggen ze er voor.’

‘Wat doen die mensen daar bovenop?’

‘Dat is vast de schipper, maar ik weet niet wat hij doet.’

‘Wat zit er in het schip.’

‘Olie misschien, ik weet het niet precies.’

‘Waar gaat hij naar toe?’

‘Dat weet ik toch niet jongen.’

Geïrriteerd kijkt de moeder opzij: ‘Jordi, houd toch eens op met zeuren!’

‘Ach laat dat kind toch’, reageert de vader, ‘van vragen wordt hij wijs.’

 

 

 

<

 

Verkeerde vrienden                 
Twitter Facebook LinkedIn Mail mij
Nieuws
Stellingverhalen
2016-06-09 07:58:42

De Stelling van Amsterdam is 20 jaar Unesco Werelderfgoed. In dat kader organiseer ik het verhalenproject Leven op de Stelling, forten van toen en nu, met een festival in fort benoorden Spaarndam op 22 wen 23 oktober en natuurlijk een boek met alle verhalen en veel fotos.
Boek Beleef Oud-IJmuiden
2015-09-23 08:15:51

Het eerste exemplaar van het boek Beleef Oud-IJmuiden, Verhalen uit de oude visserswijk, is overhandigd aan Conny Braam. In het boek staan veertig levensverhalen, boeiende anekdotes en veel oude fotos. Kijk op de pagina Boeken hoe u het boek kunt kopen.
Beleef Oud-IJmuiden in NAW
2015-04-21 21:39:46

Beleef Oud-IJmuiden: leidt storytelling tot communitybuilding. Deze vraag wordt beantwoord in het vaktijdschrift NAW door bewoners en bedrijven uit de buurt, de projectleider van de bouwer en de initiatiefneemsters van Beleef Oud-IJmuiden.